sanne rispens

writings

Gin-tonics, peterselie en wienerschnitzels: een jaren vijftig-diner

Image

In tegenstelling tot ongeveer iedereen in mijn omgeving ben ik geen foodie. Ik hou van lekker eten, maar bij voorkeur klaargemaakt door een professional. Koken heeft me nooit geïnteresseerd; toen ik op kamers ging wonen heb ik een behoorlijke tijd geleefd op potten Chicken Tonight en tomatensoep uit blik van de Aldi, en het heeft jaren geduurd voordat ik wat culinaire vaardigheden ontwikkelde.
Zoals bij veel gezinnen in de jaren tachtig hing er bij ons thuis een poster van de Schijf van Vijf op de deur van de ijskast, en ik herinner me ook typische seventies-gerechten als gevulde paprika en ovenschotels met witlof en ham – waar ik overigens een levenslange afkeer van witlof aan heb overgehouden. Wel bakte mijn moeder altijd geweldige taarten, heb ik een oma die in staat is om enorme rijsttafels te produceren en draait mijn zusje haar hand niet om voor de meest complexe gerechten uit de mediterrane keuken.

Waar mijn fascinatie met kookboeken vandaan komt kon ik nooit verklaren. Ik weet dat de amateurkoks onder ons niets liever doen dan met de nieuwste Yotam Ottolenghi onder de wol kruipen, fantaserend over dinertjes waarvoor per gang een halve kruidentoko moet worden leeggekocht, maar mijn vrienden weten dat ze bij mij thuis vrijwel altijd één van mijn twee specialiteiten op hun bord krijgen: Tom ka Khai oftewel Thaise kippensoep dan wel couscoussalade met Turks brood. Als ik iets ingewikkelds moet maken terwijl er mensen in de eetkamer zitten te wachten, krijg ik acute paniekaanvallen die er meestal mee eindigen dat het bezoek zelf maar in de keuken gaat staan terwijl ik ergens een fles wijn leeg zit te drinken (een deel van deze angst is waarschijnlijk te wijten aan het fruits de merincident van 2012 waarbij twee vriendinnen een lichte voedselvergiftiging opliepen).

De kookboeken in mijn keuken zijn dan ook niet van Yotam, Jamie, Nigella en consorten; ze stammen uit een tijd dat het hele concept celebrity chef nog niet was uitgevonden. De ruggen zijn vergeeld en hangen veelal aan elkaar met plakband, en tussen de bladzijden zitten papiertjes uit lang vervlogen tijden. Foto’s van de gerechten, tegenwoordig zo belangrijk dat food stylist een heus beroep is geworden, zijn schaars en doen me over het algemeen denken aan beelden die ik wel eens heb gezien van een lijkschouwing.
Wat me fascineert is de allang verdwenen maatschappij waarvan deze boeken de stukgelezen overblijfsels zijn; een technicolor wereld vol Betty Draper-achtige huisvrouwen die gracieus een perfecte rollade uit de glimmende oven halen, terwijl de echtgenoot, nippend aan zijn cocktail, goedkeurend toekijkt. Een wereld die natuurlijk nooit echt bestaan heeft – daarvoor hoef je alleen maar een paar afleveringen van Mad Men te kijken – en al helemaal niet in Nederland.
Mijn minicollectie kookboeken stamt uit de jaren vijftig en zestig: de tijd van de wederopbouw, en ook een tijd waarin de arbeidsparticipatie onder getrouwde vrouwen vrijwel nihil was. De kaft van het Kookboek voor Dordrecht Gasfornuizen (ca. 1963) toont dé archetypische huisvrouw: een soort Marilyn Monroe met een schortje voor, die lachend in een pan roert terwijl haar echtgenoot op het knopje van de oven mag drukken.

Image

‘De kunst van goed huishouden is te vergelijken met staatsmanskunst,’ schrijft Mevrouw D. Holdert in de inleiding van Elseviers Encyclopedie voor de Huisvrouw (1961). Het is een echo van de Britse Isabella Beeton, die in 1861 het eerste ‘echte’ kookboek publiceerde onder de titel Mrs. Beeton’s Book of Household Management: ‘As with the commander of an army, or the leader of any enterprise, so it is with the mistress of a house.’
Mijn eigen huishouden inspecterend realiseerde ik me dat ik nou niet echt een Napoleon ben op dat gebied. Niet eens een Balkenende, eerlijk gezegd. Inplaats van een gezin bezit ik slechts twee poezen die niet naar me luisteren, in vier jaar tijd heb ik niet één keer mijn ramen gelapt en mijn oven, die ik toch alleen maar gebruikte om croissantjes op te warmen, is al tijden kapot.
Daarom besloot ik een poging te doen voor één avond een Perfecte Huisvrouw te zijn, inclusief schort, en mezelf te wagen aan de ultieme huisvrouwentest: het dinertje.

Na vijf goede vrienden te hebben uitgenodigd voor wat Recepten van de Huishoudschool (1946) een ‘huiselijk dinertje’ noemt – moest ik gaan verzinnen wat ik ze zou voorzetten. Het Margrietkookboek (1960) opent het hoofdstuk over etentjes pinnig met: ‘Het goed en verantwoord samenstellen van een menu is een kunst, die lang niet elke huisvrouw machtig is.’ Gelukkig worden daarna diverse suggesties geboden, bijvoorbeeld voor een kerstdiner, Pasen of een bruiloft, en wordt de huisvrouw eraan herinnerd dat ‘Méér nog dan bij de dagelijkse maaltijd, (…) op afwisseling van kleur, smaak en samenstelling [moet] worden gelet, daar het slagen van een feestmaaltijd hiermee staat of valt.’
Vriendin S. belooft het dessert te verzorgen, mij resten de hors d’oeuvres, de soep en het hoofdgerecht. Dan is er nog het dekken van de tafel, mijn eigen verschijning als gastvrouw en het bedienen van de gasten. Ik begin opeens te begrijpen waarom mensen vroeger personeel hadden.
Hoewel ik het etentje heb gepland op een dag dat ik vrij ben en het menu al heb samengesteld krijg ik het toch voor elkaar om rond zeven uur, wanneer de eerste gast arriveert, compleet in paniek door mijn huis te rennen en nog niets aan het eten te hebben gedaan. Het dekken van de tafel (met damast, zilver en porselein) heeft me meer tijd gekost dan gedacht, vooral vanwege de geschifte bloemsierkunst-adviezen die ik tegenkwam (‘Hebt ge een mooie, artistieke schaal? Leg er eens een banaan, een paar tomaten, wat prei, een aubergine en wat eikebladeren op en zet er wat bloemen tussen.’)

Image

S. en vriend F. verzorgen de borrelhapjes, terwijl ik me eindelijk omkleed en het hoofd probeer te bieden aan de dinerpaniek. Tot nu toe breng ik het er niet goed af als Perfecte Huisvrouw. De resterende gasten druppelen binnen, en het lukt me om niet nog gestresster te worden van de bossen bloemen die ze meebrengen (‘Beschouw een bloemetje dat u gekregen heeft als een gast en niet als een last!’) hoewel mijn smaakvolle arrangement nu wel enigszins verstoord is.

Het wordt tijd voor de voorgerechtjes, en ik trek me weer terug in de keuken. Het maken van garnalencocktails is in principe vrij simpel, maar bij het opkloppen van de room raakt mijn keurig opgestoken kapsel overdekt met kleine witte spettertjes en ben ik oprecht blij met mijn huisvrouwenschort. Ook heb ik mijn hakken inmiddels uitgeschopt, iets wat de perfecte gastvrouw natuurlijk nooit zou doen. De garnalencocktails, compleet met toefje peterselie, vallen gelukkig erg in de smaak. Vriendin J. (56) beweert dat de garnalencocktail ‘totaal jaren zeventig’ was, maar aangezien ik het recept toch echt in mijn boeken ben tegengekomen denk ik niet dat ik me schuldig heb gemaakt aan een anachronisme op mijn menukaart. Het tweede voorgerechtje blijkt wat problematischer. Wanneer ik de oesters aan tafel presenteer oogt het spectaculair, maar ik had ze eigenlijk vlak voor het serveren al moeten openen om mijn gasten moeizaam gewrik met een oestermes te besparen, iets wat dankzij de diverse gin-tonics niet erg soepel verloopt. M. staart twijfelachtig naar de eindelijk geopende schelp op haar bord: ‘Ik durf dit geloof ik niet.’
Image

Met tegenzin trek ik me weer terug in de keuken, waar de etensresten al tegen de muur zitten, ieder oppervlak volstaat met gebruikt servies en de vloer behoorlijk plakt nadat mijn zusje de cocktailshaker niet goed dicht had gedraaid.
Het blijkt onmogelijk om een normaal gesprek te voeren of te ontspannen, en onze grootmoeders moeten een astronomische hoeveelheid servies hebben gehad. Ik probeer een begin te maken met de aspergesoep en geef eigenlijk direct de moed op. Terwijl S. en F. afwassen meld ik de andere gasten dat de soep is komen te vervallen.

Image

Het hoofdgerecht, Wienerschnitzels met aardappeltjes en gekookte groente, blijkt eigenlijk verrassend simpel. De kalfslapjes dienen van tevoren te worden platgeslagen met een vleeshamer die ik natuurlijk niet heb, maar een lege wijnfles blijkt ook te voldoen. Na het paneren gaan ze de braadpan in – één exemplaar verbrandt een beetje – en aangezien er vroeger niet moeilijk werd gedaan over ingeblikte groente komen de doperwtjes en worteltjes gewoon uit een pot van Hak. Voor de garnering suggereerde het recept ‘een uitgetand schijfje citroen en een rolletje van een gehalveerde, ontgrate en gedeeltelijk ontwante ansjovis, waarop een kappertje en een hardgekookt ei wordt gelegd’, maar dat wil ik mijn gasten niet aandoen dus houd ik het bij een schijfje citroen en peterselie. Ik heb de indruk dat je sowieso overal peterselie overheen kon flikkeren in dit culinaire tijdperk, dus dat scheelt.

Image

De schnitzels zijn een enorm succes, verschillende gasten zeggen het zelf ook eens te gaan maken. F.: ‘Ik kan hier werkelijk niets cynisch over zeggen.’

Officieel zou ik nu koffie moeten aanbieden, maar aangezien het al tegen middernacht loopt is daar weinig behoefte aan. In de keuken wijd ik me aan het pièce de résistance: het nagerecht. S.’ griesmeelpudding met bessensaus komt perfect uit de vorm en oogst veel bewondering onder mijn inmiddels zwaar aangeschoten gasten – de gin-tonics, witte en rode wijn zijn opgevolgd door een enorme fles cava die door F. was meegebracht. Ik kan eindelijk rustig gaan zitten, al zie ik er niet meer uit als de keurige gastvrouw die ik hoor te zijn met mijn blote voeten en uitgelopen make-up.   Het diner wordt als zeer geslaagd beschouwd. Als mijn gasten één voor één afscheid nemen en de nacht in strompelen roep ik ze na dat we ‘volgende keer de jaren zeventig gaan doen’. (Hoewel ik inmiddels niet meer weet of ik dat geestelijk aankan is het wel een stuk makkelijker om gewoon een fonduepan op tafel te kwakken.)

Als Perfecte Huisvrouw heb ik jammerlijk gefaald; mijn gasten hebben geen soep gekregen, ze hebben een slagaderlijke bloeding geriskeerd toen ze zelf hun oesters moesten openen en diverse malen heb ik hun hulp nodig gehad in de keuken. Bovendien heb ik regel 1 van het tafeldienen diverse malen overtreden: ‘Zorg voor passende kleding, een verzorgd uiterlijk en een rustig optreden, waarbij alle gerinkel met vaat– en glaswerk zoveel mogelijk vermeden wordt.’
Ik begrijp nog steeds niet hoe vrouwen dit soort diners organiseerden zonder hulp, maar wellicht heeft het feit dat we niet meer worden opgevoed om niets anders te doen dan zorgen er iets mee te maken. In ieder geval weet ik dankzij de Encyclopedie voor de Huisvrouw nu hoe ik bessensaus uit een tafelkleed moet krijgen, en was het hilarisch om mijn vrienden in jaren vijftig-outfit aan tafel te hebben. Ik kan voorlopig alleen geen peterselie meer zien.

Image

 

Met dank aan Ellen, Elise en Floris voor de geleende kookboeken, en mijn dinergasten voor hun aanwezigheid (en eerste hulp in de keuken). Illustratie door Elise van Iterson. Foto’s door Nienke Rispens. Gepubliceerd op hard//hoofd.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Informatie

Dit bericht was geplaatst op juni 19, 2014 door in gepubliceerd en getagd als , , , , , .
%d bloggers op de volgende wijze: